vlag-engels vlag-duits
U bevindt zich hier: Mooi Texel | Historie | Ontwikkeling
HomeVVV infoTexel A t/m ZMooi TexelVervoerVerblijfWinkelWat is er te doen op TexelHet weer

Ontwikkeling

De verschillende op elkaar inwerkende factoren als bodem, water, klimaat, flora en fauna en in belangrijke mate de invloeden van de mens hebben het landschap gevormd.

De eerste bewoners waren nog niet in staat om zich door middel van dijken tegen de zee te beschermen. Zij vestigden zich daarom op de keileemopstuwingen, de hoger gelegen delen in het landschap. Bij opgravingen zijn sporen van bewoning gevonden uit de Midden-Steentijd (8.000 - 4.500 jaar v. Chr.). Veel later ontstonden op deze hoger gelegen delen de dorpen Den Burg, De Waal, Den Hoorn, Oosterend en De Westen.

De Westen was in de 13e eeuw het belangrijkste dorp van Texel. Doordat het dorp via een slenk in verbinding stond met de Noordzee, werd het voornamelijk door vissers bewoond. In de 14e eeuw is de slenk door het verstuivende duinzand geheel dichtgestoven. De bevolking verliet het dorp en trok naar Den Hoorn en De Koog. De verlaten huizen werden afgebroken. De kerktoren van De Westen hield echter nog eeuwen stand en werd pas in 1859 afgebroken. Het Torenhuis aan de Westerweg is het enig overgebleven huis van dit dorp.

De lagere delen van het eiland lagen onbeschermd tegen de zee. Stormen stuwden het water telkens diep het land in en overstroomden regelmatig de weidegronden. Op twee manieren probeerde men zich rond 1300 tegen de zee te beschermen. Tussen de hoger gelegen delen legde men dammen aan, waardoor zowel een waterkering als een verbinding tussen de gebieden ontstond. Daarnaast ging men die gronden, die slechts bij hoge vloed overstroomden, bedijken. Deze poldertjes werden destijds "cooghen" genoemd. Dit woord komt ook nu nog voor in de namen van delen van het eiland, zoals De Koog en Everstekoog (afkomstig van Uterste of Buitenste Koog). De uiterst lage dijkjes van die eerste inpolderingen verdwenen in de loop der tijd en maakten soms plaats voor wegen, zoals bijvoorbeeld het Oude Dijkje nabij De Koog. Op plaatsen waar de zee door de dijkjes brak, ontstonden de zogenaamde walen. Deze waterkolken, zoals Wegeswaal bij het Waalenburgerdijkje, zijn restanten van oude dijkdoorbraken en zijn nu nog op diverse plaatsen zichtbaar.

Ten tijde van de duinvorming aan de westkant van het 'oude land' van Texel, vormde zich ten noorden van De Koog een breed en laag strand. In de jaren 1629/1630 heeft men de duinvorming hier bevorderd door het plaatsen van rietschermen en het planten van helm en andere zandbinders. Op deze manier wist men een verbinding tot stand te brengen tussen Texel en het eilandje Eijerland. Het voor deze stuifdijk aangeslibde land werd in 1835 bedijkt. Na deze polder Eierland volgde in 1846 polder De Eendracht, in 1847 de Prins Hendrikpolder en tenslotte in 1876 de polder Het Noorden.

De kracht van de natuur is een factor waar altijd rekening mee gehouden moet worden. Ondanks alle technische kennis en inzet van het modernste materieel, zal men altijd tegen de zee moeten blijven strijden. Door zware noordwester stormen verdwijnen regelmatig tientallen, soms honderden meters duin in zee. Door middel van helmaanplant, strekdammen en zandsuppletie wordt voorkomen dat de duinenrij steeds smaller wordt. Bij zandsuppletie wordt zand uit zee opgezogen en op het strand gespoten. Een kwetsbaar punt bevindt zich bij de vuurtoren. Bij de ingebruikname van de vuurtoren in 1864 was de afstand tot de zee nog ongeveer 3.000 meter. Dit duinengebied is geheel weggeslagen; de vuurtoren staat er alleen nog dankzij een beschermende asfaltglooiing. Door de aanleg van een strekdam breidt het strand bij de vuurtoren nu weer uit. In het zuiden van het eiland, bij de Hors, wordt het eiland echter steeds groter, doordat elders weggeslagen zand daar weer afgezet wordt. Aan de oostzijde van het eiland is inmiddels de gehele Waddendijk op Deltahoogte (7,45 m boven NAP) gebracht.